ICT-investeringen ziekenhuizen stijgen
De investeringen in ICT door ziekenhuizen zijn
de afgelopen tien jaar verdrievoudigd. Daarmee
groeide het budget voor ICT tweemaal
zo hard als het totale ziekenhuisbudget. Dat
blijkt uit een onderzoek dat Q-Consult heeft
uit gevoerd in opdracht van de NVZ vereniging
van ziekenhuizen (NVZ). Ziekenhuizen investeren
de laatste tijd met name in informatiebeveiliging
en het elektronisch patiëntendossier.
Uit het onderzoek blijkt verder dat het loont om
voorafgaand aan een investering een goede
businesscase op te stellen.
Ziekenhuizen gaven in 2006 gemiddeld 3,4
procent van hun budget uit aan ICT-investeringen.
Midden jaren negentig was dit nog
minder dan 1,5 procent van hun budget. De
toename sluit aan bij de aanbevelingen die
KPN-topman Ad Scheepbouwer enkele jaren
geleden deed in zijn rapport over ICT in de
ziekenhuiszorg. Om ook op termijn het aanbod
en de kwaliteit van ziekenhuiszorg op
peil te houden, was een toename van het ICTaandeel
in het ziekenhuisbudget gewenst.
Ondanks de sterke stijging de afgelopen jaren,
blijft de ziekenhuissector nog wel achter bij
andere sectoren, zoals transport en distributie
(vier procent) en de overheid (zes procent).
|
|
Prioriteit
Uit het onderzoek door adviesbureau Q-Consult
blijkt verder dat ziekenhuizen het interne
elektronisch patiëntendossier het meest noemen
als ICT-investering. Meer dan zeventig
procent van de ziekenhuizen gaf in 2006
aan hieraan tijd en capaciteit te besteden. Het
zogeheten ziekenhuisinformatiesysteem volgt
op de tweede plek, met daarna informatiebeveiliging
als duidelijke volgende prioriteit.
Businesscases
In opdracht van de NVZ heeft adviesbureau
Q-Consult voor de periode 1993 - 2006 de
investeringen in ICT in ziekenhuizen in kaart
gebracht. Doel hiervan is naast het verkrijgen
van algemeen inzicht, vooral ook het in kaart
brengen van voorbeelden van businesscases
voor ICT-investeringen. Businesscases zijn
van belang omdat daarmee een relatie tot stand
komt tussen ICT-investering en de kwalitatieve
en kwantitatieve baten van de investering.
Nu wordt nog vaak onvoldoende stilgestaan
bij de kosten en opbrengsten van de huidige
ICT-situatie, de benodigde investering en de
toekomstige ICT-situatie.
|
Zieke dolfi jnen profi teren van apparatuur ziekenhuis St Jansdal in Harderwijk
Dierenarts Niels van Elk van het Dolfi narium
doet af en toe een beroep op specialisten in
het St Jansdal in Harderwijk als hij ingewikkelder
diagnostiek nodig heeft. Hij werkt al vele
jaren nauw samen met longarts Steven Gans.
Vooral de in Nederland aangespoelde (vaak
doodzieke) bruinvissen profi teren hiervan, ze
hebben heel vaak longziekten, meestal door
een infectie met parasieten. De aard en de
uitgebreidheid van zo’n aandoening is onder
andere vast te stellen met bronchoscopie.
Ook wordt er incidenteel röntgenonderzoek
bij dolfi jnen verricht, zoals CT-scanning. De
laatste jaren zijn ook de cardiologen in beeld,
zij kunnen het dolfi jnenhart onderzoeken met
|
|
electrocardiografi e en met ultrageluid, ook via
de slokdarm. Het Dolfi narium is het eerste instituut
ter wereld waar dit laatste onderzoek
plaatsvindt. Bij bruinvis Ellen werd op deze
manier een chronische ritmestoornis (boezemfi
brilleren) ontdekt. Ze knapte met de gebruikelijke
medicatie zeer goed op. Het komt dus
goed uit dat het ziekenhuis St Jansdal recent
hypermoderne monitoren op de hartbewaking
installeerde: de oude monitoren kwamen vrij
en een ervan zal aan het Dolfi narium worden
overgedragen. Met dit apparaat is het tevens
mogelijk het zuurstofgehalte in het bloed continu
te meten, zodat bronchoscopieën via het
blaasgat veiliger kunnen worden uitgevoerd.
|
 Het Dolfi narium krijgt een oude monitor van hartbewaking van het St Jansdal.
Buiktumor blijkt oude handdoek
Een Japanner met een vermeende tumor kreeg
na de operatie goed nieuws van de artsen. De
‘tumor’ bleek een handdoek te zijn die in 1983
in de buik van de man was achtergelaten na
een operatie aan een maagzweer.
Onlangs kreeg de 49-jarige man last van zijn
buik. Uit onderzoek leidden de artsen af dat
hij een acht centimeter groot gezwel had.
|
|
Tijdens de operatie vonden zij echter geen
kanker, maar een doek die was verschrompeld
tot de grootte van een honkbal. Het ziekenhuis
even buiten Tokio dat de man 25 jaar geleden
opereerde heeft de man excuses aangeboden.
De patiënt heeft aangegeven dat hij geen aanklacht
zal indienen tegen de medische instelling.
|
|
|
Overlijden jonge sporters aan hartafwijking met medicijnen te voorkomen
Extreme verdikking van de hartspier, hypertrofi
sche cardiomyopathie (HCM), is een van de
belangrijkste oorzaken van de plotse dood van
jonge sporters. HCM wordt veroorzaakt door
een genverandering die leidt tot een verminderde
functie van de hartspier. Bij deze gendragers
ontdekte Tjeerd Germans met behulp
van MRI nog niet eerder geziene inkepingen
in het tussenschot van de hartspier. Volgens
Germans moeten dragers van het HCM-gen
starten met medicamenteuze behandeling,
nog voordat de hartspier verdikt is. Daardoor
zou de verdikking geremd kunnen worden,
waardoor de kans op overlijden vermindert.
Hypertrofi sche cardiomyopathie (HCM) is
een ziektebeeld dat bij ongeveer een op de
500 personen voorkomt en gekenmerkt wordt
door extreme verdikking van de hartspier.
HCM wordt veroorzaakt door een genmutatie
en is een van de belangrijkste oorzaken
van plotse dood onder jonge sporters. Met
behulp van Magnetische Resonantie Imaging
(MRI), een beeldvormende techniek waarmee
zeer nauwkeurig de bouw en functie van
het hart bekeken kan worden, deed Germans
|
|
onderzoek bij mensen die drager zijn van het
HCM-gen, maar nog geen verdikking van de
hartspier hadden. Het merendeel (82 procent)
van de HCM-gendragers bleek opvallende
afwijkingen te hebben aan het tussenschot
van de hartspier, te weten inkepingen oftewel
crypten. Deze zijn nog nooit in een eerdere
studie beschreven. Verder bleek dat bij deze
dragers van het HCM-gen de vulling van het
hart bemoeilijkt was, wat een aanleiding voor
de hartspier kan zijn om uiteindelijk te gaan
verdikken.
Zeer vroeg stadium
De resultaten van dit onderzoek maken het
mogelijk om al in een zeer vroeg stadium
mensen op te sporen die het risico lopen om
later HCM te ontwikkelen. Daarnaast wijzen
de resultaten erop dat de ontwikkeling van
extreme verdikking van de hartspier met bestaande
medicijnen te voorkomen is. Dit suggereert
dat het starten van een behandeling
met medicijnen bij dragers van het HCM-gen,
nog vóórdat de hartspier verdikt is, de ontwikkeling
van de ziekte kan afremmen of zelfs
stoppen.
|
 HCM komt voor bij ongeveer een op de 500 personen.
Artsen hebben vrijheid van handelen nodig
Artsen, politici en verzekeraars kiezen er
steeds vaker voor om alleen wat ‘bewezen
effectief’ is in praktijk te brengen of te vergoeden.
Hiermee doelt men op ‘epidemiologisch
bewijs’, dat verkregen is uit onderzoek
met grote groepen patiënten. Volgens prof.
Yvo Smulders is echter dat ‘bewijs’ voor het
meeste van wat artsen doen helemaal niet
aanwezig. Als het wél aanwezig is, is het ‘bewijs’
vaak van slechte kwaliteit en niet van
toepassing is op individuele patiënten. Smulders
vindt daarom dat ‘bewijs’ ongeschikt is
om als criterium voor bijvoorbeeld vergoeding
van zorg te dienen. Dit betoogt hij in zijn oratie
die hij uitspreekt bij de aanvaarding van zijn
leerstoel algemene inwendige geneeskunde
bij VU medisch centrum.
Overheid en verzekeraars zijn druk doende
‘Evidence Based standaarden’ tot criteria
voor vergoeding te maken. Dit beperkt de
vrijheid van handelen van artsen sterk. Deze
vrijheidsgraden zijn, aldus Yvo Smulders, van
cruciaal belang voor het verlenen van goede
zorg voor individuele patiënten. Er is te weinig
tegengeluid. Smulders erkent dat klinisch
epidemiologisch onderzoek, de basis is voor
het opstellen van evidence based standaarden,
veel nuttige kennis heeft opgeleverd. Echter
|
|
dit epidemiologische bewijs is vaak lang niet
zo sterk als men denkt. Dit type bewijs bestaat
alleen voor gróepen patiënten en past
dus prima in richtlijnen, waarin gemiddeld
beleid wordt geadviseerd voor de gemiddelde
patiënt. Maar de gemiddelde patiënt bestaat
niet! Dus stelt Smulders dat nooit te bewijzen
valt dat de richtlijnen ook van toepassing
zijn op de individuele patiënt, die in de
spreekkamer tegenover je zit. Smulders pleit
er wel voor epidemiologisch bewijs mee te
laten tellen bij handelen bij individuele patiënten,
maar dat de arts zeker ook fysiologische
kennis, kunde en gezond verstand altijd een
belangrijke rol moet laten spelen. Smulders:
”Koester en ontwikkel subjectiviteit en intuïtie:
het zijn geen zonden, maar deugden.”
Misbruik
Epidemiologisch bewijs vormt dus een raamwerk
voor klinisch handelen. Vaak wordt het
echter misbruikt als het enige criterium voor
klinisch handelen of als voorwaarde voor bijvoorbeeld
vergoeding van individuele zorg.
Heel gevaarlijk is het om het ontbreken van
epidemiologisch bewijs te misbruiken, bijvoorbeeld
als legitimatie om niet te handelen
bij een individuele patiënt.
|
|